Als ik de afgelopen jaren in mijn werk met mensen één ding geleerd heb, dan is het hoezeer innerlijk en uiterlijk met elkaar zijn verweven. Hoe iemand zich naar buiten toe toont en wat er zich binnenin hem allemaal afspeelt. Of misschien meer nog: hoe verwarrend die in onze cultuur zo scherp gedefinieerde grens tussen innerlijk en uiterlijk werkt. Wie het bij het rechte eind heeft laat ik in het midden (bovendien houd ik niet van rechte eindjes). Wel ben ik van mening dat ze zo gek nog niet waren; die oude volken van weleer met hun mystieke gedachte dat de werkelijkheid één en ongedeeld is. Want wie ervaart er niet, bij tijd en wijle, bij zichzelf en anderen, de duizelingwekkende diepte die opwelt vanuit zogenaamd verborgen of verdrongen kanten? Aan de buitenkant, in ons dag-dagelijke werk en leven, weerkaatst soms ineens de ziel van de wereld om je heen. De man met wie je een korte blik uitwisselt en die je denkt heel goed te kennen. Dat gesprek dat onverklaarbaar diep nawerkt in je. Een oude vrouw die door je heen lijkt te kijken. Als je goed kijkt zie je achter de oppervlakte van je dagelijkse beslommerpraktijken iets wat door blijft klinken. Het is niet dat de diepte in onze levens de echo creëert, maar het is andersom: de echo creëert de diepte.

Als we ons zelf nu eens wat minder zouden bezighouden met onszelf en hoe we overkomen, kunnen we met een geruster hart gaan kijken naar de ander. Zie de werking die je collega heeft. Kijk hoe die vriend de ruimte inneemt. Zie mensen voor je verschijnen, in houding, stemgebruik, kleding, geur, intonatie, tint en hoe alles samenkomt in de vele verhalen die dat ene gezicht aan jou verteld. Elk gezicht dat je ziet, elk gezicht opnieuw als het mooiste verhaal dat ooit verteld is. Hoe een heel leven in een gezicht te zien is. Zijn is zien, echt zien. En gezien worden. Niks “objectief an sich” denken versus subjectief “fur sich”. Niks logisch-rationeel versus gevoelsmatig-intuïtief. Het is juist de hele optelsom die ons raakt. Iemands opgetrokken schouders, zijn ingehouden glimlachje, de nerveuze handgebaartjes, hoe hij een hand geeft. Aristoteles zei het al: “Iemands lichamelijke kenmerken weerspiegelen zijn karakter” en ook, heel raak wat mij betreft: “nooit een dier gezien met de vorm van het ene en het karakter van de andere soort. Elk mens is de optelsom van alle manieren waarop hij zich presenteert. En onze reactie op die zelfpresentatie, dat wat iemand wezenlijk bij ons losmaakt, hoe het ons raakt, dat zegt iets dat niet moet worden gepsychologiseerd of moet worden gezocht in diepere zijnslagen, maar moet worden geladen met herkenning aan de oppervlakte. “Hey dude, ik zie jou en er gaat die en die werking van je uit. Dat raakt me hier en hier en dat is leuk, gek, (on)prettig”.

Waarom ik dit schrijf? Omdat ik onlangs een workshop volgde die precies hierover ging. We keken naar elkaar en noemden van elkaar ieders verborgen ambacht. Als je goed kijkt, probeer het maar in je eigen (werk)omgeving, dan komt bij iedereen zijn innerlijke professie tevoorschijn. Het is precies dat wat bij iemand door de huid heen sprankelt, maar wat nooit op je visitekaartje staat. Zo had ik om mij heen onder meer een vertolker, een reiziger van de binnenwereld, een harts-activist, een verfrisser, een openbreker en een echte opklaarder. Laten we elkaar vooral ook aan de buitenkant blijven bekijken. Aan de specifieke en complexe manier waarop de ander zich aan je voordoet. Binnen is buiten en buiten is binnen. De ziel is een klapdeur die altijd tegelijkertijd naar binnen en naar buiten toe opengaat. En laten we ophouden te proberen een eenduidig beeld van onszelf aan de buitenwereld voor te spiegelen, of wat voor beeld dan ook. Want zoals Jung aan het eind van zijn leven verzucht: “Ik ben verbijsterd, teleurgesteld, innig tevreden. Ik ben wanhopig, extatisch, somber. Ik ben al die dingen tegelijk, zonder ergens de definitieve waarde van te kunnen bepalen. Ik heb geen eenduidig oordeel over mezelf, er is niets waar ik nog zeker van ben”. Zodat we, in plaats van in onszelf te zoeken en ons hiermee te vervreemden van de wereld om ons heen, juist helemaal vertrouwd raken met de dingen om ons heen en wat meer vervreemd van onszelf. Of laat ik het zo zeggen: ik houd van mensen die vervreemd zijn van zichzelf. Dat schuchtere, twijfelende, onzekere, niet-wetende van mensen die van zichzelf misschien vervreemd zijn, maar diep vertrouwd durven te zijn met het “vreemde” om hen heen.